Achter Gentse deuren

Het Objectief

Marieke Selhorst

25/9/2020
Mijn eerste “Gentse” herinnering is de uitstap met mijn ouders naar de Gentse Feesten. Met grote verwondering keek ik toen vanuit mijn vaders nek naar de grote massa, de kleurrijke optredens en het knallend vuurwerk. Een belevenis die menige jaren bleef duren. Toen mijn moeder mij vroeg naar welke school ik wou gaan voor het middelbare onderwijs, was de beslissing snel gevallen dat ik naar een school in het bruisende Gent zou gaan. Vele jaren sprong ik met mijn groene uniform de fiets op richting school. Eerst tot Melle Leeuw om met de tram verder te gaan en later tot aan de school. Een weg naar volwassenheid met vele avonturen binnen en buiten de schoolpoort. Het zal je niet verbazen dat ik na mijn zesde jaar vrij snel mijn titel als heusdenaar omruilde voor een titel als gentenaar. Want zo voelde ik mij ... een gentenaar. En vanaf dat moment begon de letter R meer en meer in mijn mond te rollen en werd de letter E wat vetter met de dag.

Intussen ben ik ook een ondernemer in Gent. Zo ondersteun ik met Het Objectief fotografen en andere beeldmakers in materiaal, en begeleid ik hen bij de uitvoering van hun project. Daarnaast ben ik partner voor enkele gentse bedrijven bij de uitvoering van hun visuele projecten. Kortom cultuur is voor mij zeer belangrijk. Het doet mij pijn als ik kwaadtongen hoor spreken over de culturele sector, als een bende dromers die hun hobby uitoefent, dat de overheid teveel geld kost en niet levensnoodzakelijk is. Als creatieve ondernemer kan ik me niet bedwingen om dit tegen te spreken. In het atelier zie ik kunstenaars, die hard werken, die durven springen en die zich engageren voor activiteiten zonder zekerheid op inkomsten. Ik bewonder hun lef en doorzetting.
Het is niet iedereen gegeven om deze moeilijke weg te bewandelen. Want het klopt dat niet alle activiteiten rendabel zijn. Maar in plaats van de sector te bekritiseren, daag ik diezelfde mensen uit om na te denken over alternatieve wegen om hen financieel te ondersteunen. Want vergis je niet, cultuur is absoluut levensnoodzakelijk. Cultuur dwingt je immers los te komen van de dagelijkse sleur, het doet je nadenken en het geeft je inspiratie om het anders te doen. En daar heeft uiteindelijk iedereen baat bij. Daarom durf ik luidop dromen van een Gent als culturele hoofdstad in 2030, waar iedereen zijn steentje bijdraagt om op een innovatieve manier cultuur te tonen aan een breed publiek.

Tekst: Marieke Selhorst
Foto: Francis Vanhee

Professor UGent

Yves T'Sjoen

18/9/2020
Sinds begin 1990 heb ik onderdak op de Blandijnberg, na mijn studententijd in de tweede helft van de jaren tachtig. Na mijn licentiaatsverhandeling (Germaanse filologie) en twee jaar burgerdienst (“gewetensbezwaarde”) kon ik beginnen als medewerker van professor Anne Marie Musschoot. Ik mocht een doctoraat schrijven over In den zoeten inval (1927), de enige dichtbundel van Richard Minne. Na het bekende parcours (assistent – doctor-assistent – docent – hoofddocent - hoogleraar) kreeg ik de kans de opleiding Nederlandse letterkunde mee vorm te geven. Ik doceer Nederlandse letterkunde en moderne editiewetenschap, sinds enkele jaren ook Afrikaanse literatuur.

Het grootste deel van mijn leven speelt zich af in een volgestouwd kantoor op het gelijkvloers van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte – eerst was ik er student, dan aangesteld als academisch personeelslid. Intussen heb ik er al vele jaren mijn vaste plek verkregen. Meer nog, de boeken op kantoor zijn een filiaal van mijn thuisbibliotheek. Het is er tussen mijn honderden boeken en kasten vol archiefmateriaal ook een beetje thuiskomen iedere dag. De gedichten aan de muur, de parafernalia in de kasten, de foto’s en schilderijen/etsen: ze zijn mijn vertrouwde attributen in een hectische wereld. 
Er is thuis in Kalken geen plaats meer om naast duizenden romans, dichtbundels, kunstboeken e.d. ook mijn studieboeken over poëzie en inmiddels tientallen tekstedities een plek te geven. Soms heb ik thuis een boek nodig, waarvan ik weet dat het ergens in mijn boekenkast staat in Gent. Boeken, hoeveel dat er ook zijn, hoef ik niet te zoeken. Ik weet ze blindelings staan.

Alle levensmomenten heb ik op de Blandijn een plek kunnen geven: de geboorte van de kinderen, het overlijden van mijn vader, het behalen van de doctorstitel. Zoals prof Musschoot mijn geestelijke mentor en promotor was – tot lang na mijn promotie – zo is de Blandijn mijn tweede thuis. Lief en leed heb ik er gedeeld. Het heeft ermee te maken dat je met passie leeft. Ik heb het voorrecht dat mijn beroep een verlengstuk is van die passie (voor literatuur en taal).
Ik ben een van die laatste der Mohikanen voor wie de studie, de promotie en de aanstelling aan dezelfde universiteit te situeren is. Het schept een band. Ik ken het instituut dus behoorlijk goed en heb over de jaren heen vele passanten gezien. De tijden zijn veranderd, zeker in het academisch landschap. Ik probeer in alle bescheidenheid een kleine rots te zijn in de branding, een van vasthoudendheid én eigengereidheid.

Poëzie is mijn passie, die deel ik met studenten en collega’s in binnen- en buitenland. Ik ben mijn Alma Mater dank verschuldigd dat ze mij heeft opgeleid, onderdak geeft en telkens weer haar vertrouwen uitspreekt in mijn onderzoek, onderwijs en dienstverlening. Ik heb er zoals gezegd een vaste stek mogen verwerven. Nu probeer ik de universiteit veel terug te geven. Door mijn cultureel engagement.

Foto: Francis Vanhee
Tekst: Yves T'Sjoen

Muzikant

Veerle Simoens

04/9/2020
"Ik ben van opleiding musicus, celliste. Mijn studie heeft mij gemaakt tot wie ik vandaag ben. Als professioneel muzikant worden er, net zoals in de sportwereld, topprestaties van je verwacht. Het is een competitieve wereld. De lat ligt hoogt. Je werkt enorm gefocust toe naar piekmomenten. Je sluit je op in je kamer en zit uren aan een stuk aan één muzieknoot te schaven tot het perfect zit. Het is een leven van studeren, toewijding, oefenen, jezelf continu verbeteren… Je geeft alles. Je kan niet ‘een beetje’ artiest zijn. Het is een keuze die je maakt en vervolgens moet je er 200% voor gaan."

"Ik zat in een pianotrio met mijn zussen. Het was leuk om samen op tournee te kunnen gaan en om zoveel mee te maken. Ik nam het managementluik voor mijn rekening. Ik vond het toen al plezant om het puur artistieke te combineren met het zakelijke. Ik zag ons trio als een klein bedrijf dat in de markt gezet moest worden. Het was een erg leerrijke periode maar na tien jaar was het tijd voor iets nieuws. Ik werd zakelijk leider bij een orkest, Casco Phil. Een wereld van verschil: plots moest ik meer dan 35 neuzen in dezelfde richting krijgen. Extra uitdagend was het feit dat het gezelschap niet gesubsidieerd was. Ik ging op zoek naar alternatieven en heb de hele culturele sector van onder tot boven uitgespit.
Na vier jaar startte ik bij het Festival van Vlaanderen. Ik vind het nog altijd een fantastische job. Het Festival heeft een rugzak van 62 jaar en toch zijn we nog altijd relevant. Dat hebben we te danken aan onze innovatieve concepten en aanpak. We blijven onszelf opnieuw uitvinden en we houden de vinger aan de pols. Voor mij is een festivalcontext één van de meest creatieve omgevingen die er bestaan.”

“De tijd dat een artistiek coördinator vanuit zijn ivoren toren zaken besloot, is al lang gepasseerd. Het zakelijke en het artistieke kunnen perfect naast elkaar bestaan. Zo werkt het voor mij het best: als het ware met de Excelsheet en de cijfers ernaast een concept uitdenken. Ik ben uiteindelijk maar een kleine schakel in het geheel. Zonder mijn team ben ik niets. Ik vind dat trouwens een prachtig gegeven: een wild idee op tafel gooien en vervolgens iedereen die zijn stukje bijdraagt. Samen komen we tot zoveel sterkere concepten.”
“Vandaag worden ook wij als organisatie in het hart van ons DNA getroffen door de covid-crisis. Maar we moeten en zullen er staan, voor onze stakeholders, ons publiek, onze artiesten en partners. Ik merk dat heel wat Gentse organisaties nu de handen in elkaar slaan en informatie met elkaar delen. Er ontstaat veel engagement en samenwerking van onderuit. Dat is fijn om te zien.”

“Vandaag voelt een podium voor mij nog steeds als mijn natuurlijke habitat. Een podium staat gelijk aan vrijheid. Mits een goede voorbereiding en wat improvisatie kan je doen wat je wilt. En, heel belangrijk: the show must go on. Altijd, ongeacht wat de omstandigheden zijn. Dat sterkt je. Mijn podiumervaring heeft me geleerd om beter om te gaan met stressvolle situaties vandaag.”
“Het is een voordeel dat ik ook vandaag nog bezig kan zijn met mijn grootste passie: muziek. Werk en vrije tijd vloeien naadloos in elkaar over. Ik heb het nooit anders geweten. Ik merk dat het me ook niet per se gelukkiger maakt om bewust ‘afstand te nemen’ van het werk. Maar het is een evenwichtsoefening. Het klopt dat ik me soms helemaal zou verliezen in een project. Het is een beetje zoals een vuur gaande houden: af en toe laat je het opflakkeren maar je moet het soms net zo goed wat intomen om constant te zijn.”
“Ik mag artistieke hoogtepunten samen met een heleboel andere mensen beleven. Dat is pure magie. Maar ik voel me net zo opgetogen in een klein zaaltje met weinig volk waar je de elektriciteit in de lucht voelt hangen tijdens het optreden. En achteraf, na het Festival, is er natuurlijk altijd de opluchting en de trots. Met het hele team zo hard naar iets toewerken en uiteindelijk samen die apotheose beleven…”

“Ik zie het echt als mijn taak om het jonge lokale talent een podium te geven. Zo leerde ik vorig jaar nog een jonge Gentse sopraan kennen die vooral in het buitenland furore maakt. Ze zei: “Dit is het eerste concert dat ik in Gent geef”. Gek toch! Grote meesters samenbrengen met jong talent: dat geeft altijd vuurwerk.”
“Ik kijk uit naar deze editie. We gaan met meer dan twaalf culturele organisaties uit Gent samenwerken, over alle stijlen heen. Vooral het project rond het Lam Gods ‘Listen to the Lamb’ zal een van onze paradepaardjes worden. We vroegen aan elke organisatie om een paneel om te zetten in muziek. Spannend hé? (lacht)”
“Diversiteit blijft een uitdaging, maar het is niet onmogelijk. Ook in een vorige editie hebben we met flink wat nieuwe Gentenaars samengewerkt en waardevolle feedback gekregen. Maar het blijft een heikel punt. En vooral: een langetermijnproces. Heel wat mensen denken binnen het kader van een beleidsperiode, een jaarwerking,… Ze willen iets realiseren en vervolgens onmiddellijk de vruchten kunnen plukken. Dat is niet realistisch. Ik werk nu aan iets mee, waarvan ik misschien zelf het resultaat niet meer zal zien.”

“Ik ben wel eens uitgenodigd door organisaties om te spreken over vrouwelijk ondernemer- en leiderschap. Ik weet nog altijd niet zo goed wat dat is. Ik ben er ook niet zo mee bezig. Het is ondertussen een hol begrip maar ik denk dat authenticiteit het meest belangrijk is. Het komt in feite hierop neer: geloven in je eigen kracht. Als je kiest voor een leven als artiest mag je er geen maat op zetten: je moet er voluit voor gaan en alles omver blazen. The sky is the limit. Dat trek ik graag door naar het Festival en mezelf: in feite ben je nooit helemaal tevreden. Je moet altijd die ‘next step’ willen zetten, opportuniteiten zien, gezonde ambitie hebben. Je kan niet achterover leunen. Maar, super belangrijk, je moet ook kansen krijgen. Ik heb ook kansen gekregen. Mensen die in mij geloofden. Soms besef je dat niet altijd. Je neemt een opdracht aan en je doet het gewoon. Maar achteraf realiseer je je: “Amai, I owe him one. Die heeft met mij een risico genomen, die heeft voor mij deuren geopend en geloofde in mij.” Ik zou niet staan waar ik nu sta, zonder de steun van anderen. Dus net zoals anderen dat voor mij gedaan hebben, wil ik dat vandaag kunnen realiseren voor jonge mensen. Hop, dat podium op en toon wie je bent!”

Tekst: Raïssa De Martelaere
Foto: Francis Vanhee

Moursy Al Qasim

13/8/2020
“Ik zie je graag, ook als je niet zie”, dat is wat ik vaak lees op de muren van veel facebookvrienden. Dat is eigenlijk wat ik als goed ervaren heb in de laatste jaren vanwege de epidemie of door een oorlog.

Omdat ik uit Syrië kwam.
Mijn moeder en broers zien graag ook hun huis en boerderijen op de foto’s of als die toevallig komen op TV via oorlogsjournalisten. Omdat ze zelfs moesten vluchten binnen het eigen land sinds dat de stad een gevechtsgebied geworden is. Nu is het volledig bezet, wordt er veel gestolen en zijn vele huizen in brand gestoken.

Ik heb hierdoor veel geleerd. En wat ik in echt eis is dat onze Belgische politiek de toekomst van het land wijzer maakt.
Lieve mensen, laat ons gaan door de inhoud van de boodschap “ik zie je graag, ook als ik je niet zie” en dat met de mooie foto van onze toekomstig maatschappelijke beeld.
Lieve mensen, laat ons in onze huidige tijden mooie verhalen maken ter voorbereiding voor een mooie toekomst.

Laat we onszelf niet voelen als vreemdelingen in de wereld. Dat vraagt voor een actieve wil om samen te leven.
“Ik zie je graag, ook als je niet zie”, is een maatschappelijk boodschap die mag invloed hebben op onze Belgische politiek, en dat vraagt voor een strenge maar rechtvaardige politiek, volgens mij.

Foto: Martin Corlazolli
Tekst: Moursy Al Qasim /Bart Vandesompele

Dirigent - Componist

Dirk Brossé

10/8/2020
k ben geboren in Gent, opgegroeid in Heusden. Ik voel mij op en tot Gentenaar, heb in Gent school gelopen, gestudeerd, mijn eerste stappen in de professionele muziekwereld gezet en ik geef al jaren les aan ons Conservatorium. Ik heb het altijd zo aangevoeld, ook als ik een hele tijd verbleef in het buitenland.

Ik droeg Gent altijd wel mee, in mijn hart, en in mijn bloed. Dat Gents bloed stroomt door mijn aderen en bepaalt mijn DNA. Denk maar aan mijn band met het Gentse Conservatorium, het Film Fest Gent en de World Soundtrack Awards, elk jaar een hoogmis.

Gent is sterk geëvolueerd de laatste 30 jaar: een grauwe grijze stad werd een mooie vlinder, en er kwamen parels bij die Gent ook internationaal op de kaart zetten. Gent is nu wel toeristisch zeer druk geworden, met covid-19 al tijdelijk wat minder, maar toch, misschien soms wel “too big to handle”.
Als dirigent en componist reis ik al tientallen jaren de wereld rond, waardoor ik op veel plaatsen in de wereld kom. Dan vergelijk je onvermijdelijk, en ga je ook thuis anders naar de dingen kijken. De tuin, de omgeving, de vriendenkring, die evidente dingen worden toch anders…
Hoe meer ik reisde hoe liever ik terug in Gent was, het bood mij een houvast. Want mensen komen en gaan, maar gebouwen, pleinen, de sfeer, de waterwegen, de Leie, de Schelde – die historiek, die ziel, dat blijft… het was thuiskomen, elke keer weer.

Gent is uniek. Shanghai, New York City zijn een smeltkroes van verschillende culturen, eigenlijk het best te omschrijven als bubbels naast elkaar, leven naast elkaar, niet mèt elkaar. Niet iedereen wil globaliseren, velen zoeken een eigenheid en identiteit. Dan krijg je kastjes-denken.
In Gent is dat toch anders…Gent is een mini-metropool, het is een echte smeltkroes. Ik vraag me soms af hoe we dat gaan gedaan krijgen, integreren – opvoeding, en toch een eigen identiteit behouden, eigen aan onze manier van leven en onze stad: hoe gaat dit evolueren? Respect voor elkaar en elkaars cultuur zonder altijd alles met elkaar te moeten doen en het over alles eens te zijn lijkt de sleutel te zijn?

Ik vind dat we absoluut onze manier van leven en denken moeten behouden en we nog ons eigen ding moeten kunnen doen. Geen oordelen en veroordelen, maar respect voor elkaar, dat wel. Het is een moeilijk evenwicht, zeker in een maatschappij die een “10 seconden” maatschappij wordt, niks diepgang, alles moet snel gaan, geen geduld meer, en Twitter bepaalt het tempo van elkaars meningen. Daar loert verzuring en polarisering om de hoek.

Ik vind wèl dat Gent moet durven gaan voor iets groots en iets bijzonders. Bijvoorbeeld voor een landmark zoals het Wintercircus en de site van de Krook. We hebben de ambitie en de troeven om Culturele hoofdstad te worden van Europa in 2030. Ik denk spontaan aan “aspirational”,… dat vat het samen ja.
Maar enkel mensen met visie en middelen kunnen grote dingen realiseren: Gerard Mortier was zo iemand, en Jacques Lang als Minister Van Cultuur in Frankrijk. Zo mensen hebben we nodig! Als je ziet wat het inpakken van de Reichstag met de identiteit van Berlijn gedaan heeft vraag ik mij af waarom Christo nooit het Gravensteen of het Stadhuis heeft ingepakt…dàt had gepast bij onze ambitie, gewoon impact krijgen en iedereen had het geweten!

Hebben wij er nood aan? Ja! De stad wordt daar beter van, dus moeten we dat gewoon doen, als je ziet welk talent er in onze stad aanwezig is. En soms moeten we als Belg, Vlaming en Gentenaar onze echte carrière uitbouwen in het buitenland om te kunnen overleven, dus laat al dat talent ook in Gent stralen!
Nergens in de wereld heb ik zo’n eigenzinnige creativiteit op zo’n kleine oppervlakte samen gezien als in Gent. Die combinatie van koppigheid, eigenzinnigheid, het creatieve, de dynamiek, de studenten, de kwaliteit, nergens vind je die mix. Dus moeten we dat aan de wereld vertellen!

Tekst: Dirk Brossé
Fotograaf: Francis Vanhee

The Green Community

Luc De Bruyne

09/7/2020
Groen is mijn ding. Groen in de stad dan bedoel ik. Gent een klimaatstad? Ja dat mag zeker de ambitie zijn !

Ze zeggen vaak dat Gent een stad is die iets speciaals heeft. Ja, ik geloof dat dit kan kloppen. Het is ook een stad die niet te vergelijken is met een andere stad denk ik. Het heeft alles van een grootstad, de goeie dingen dan, maar op een kleine oppervlakte.

Gent is de stad van mijn prille jeugd. Ik ben geboren bij “Vercauteren”, de vroegere kliniek aan de rotonde van de Dampoort. Van jongsaf aan ben ik de stad gaan ontdekken, en dat DNA zit meteen in je aderen. Ook al woon ik nu in het groen rond de stad, mijn hart ligt er nog altijd.

Ik ben ook getogen in het centrum, er de grote wereld ontdekt (St-Jan Berchmanscollege in St Amandsberg), de muziek en de talen ontdekt (dank u William Van Puyenbroeck), veel opgestoken over de Nederlandse Letteren en geschiedenis van Jos Brabants en Alex Vandervust … het waren mooie tijden.
Ik leerde ook de “blauwkes” appreciëren van de meisjesschool OLV Visitatie, en daar kwam al eens een bezoek van aan de Forever, waar Amnesty International mij toonde hoe de wereld eruit zag buiten Gent. Dat non-conformistische in deze stad houdt ons ook recht in moeilijke tijden en dan die humor ”telkens met een kleine hoek af”… geweldig vind ik dat.
Dat “zoekende” ook !

Die onrust duwde me weg van school, na het middelbaar, naar het familiebedrijf. Sturm und Drang, zeg je? Ja dat kan wel kloppen… dat typeert mij wel: steeds op zoek, nooit rusten.
En steeds terugkerend naar dat centrum van Gent, het liet me niet los. Ik sprak 5 talen, en dat kwam van pas in Klein Turkije (wie kent t Vliegend Peerd nog?): hoe later het werd hoe meer talen er werden gesproken (lacht).

Maar de Vooruit, de Barneys, de Cirque Central, allemaal hebben ze een plek in mijn herinneringen. En de flikken van Gent leken ook niet happy toen ik in de Sleepstraat de tramsporen blokkeerde en verkeerd geparkeerd stond.
Nu ben ik wat vaker in het landelijke Lochristi vlakbij Gent, waar ik woon, en waar mijn bedrijf gevestigd is, maar ik keer altijd graag terug – ik zet me ook in bij de Floraliën, toch een belangrijke speler die elke 4 jaar Gent op de wereldkaart zet – één van die grote Gentse “festivals” met internationale uitstraling in de wereld. Mijn insteek is daar via de Floraliën de Sustainable Development Goals van de VN naar Gent overzetten. Ik heb uitdagingen nodig…!

Ik leef nu tussen het groen, startte met bedrijf The Green Community, en dus valt het mij op dat het groen in Gent steeds beter wordt, maar het kan nog beter !
Misschien is dat nog wel iets waar ik mee aan de kar wil duwen.

Foto: Martin Corlazzoli
Tekst: Bart Vandesompele

Atelier van het leven

Ann Deneir

06/7/2020
Een verhaal uit Gent, het ritme van leven, spelen, verdriet, troost. Een dinsdag, de zon, een park, een meisje en ik.

Ze speelde met haar voetbal, nee, ze voetbalde. Ze deed het net met voldoende aandacht voor haar spel en toch ook zo dat ze mijn gezichtsveld probeerde te vangen. Ik had het in de gaten maar wilde nog even observeren want ik herinnerde me niet ooit zelf zo gepassioneerd met een bal gespeeld te hebben. Ze had duidelijk techniek, zij beheerste de bal en niet omgekeerd. het was mooi en in mijn hoofd gaf ik haar een droom…..topvoetballer worden! Maar dus, ze gooide de bal op en deed er allerlei kunstjes mee, en schopte hem elke keer wat verder. Spelend en toch berekend, stuurde ze de bal op een manier waardoor die elke keer iets meer mijn richting uit kwam rollen, tot die onvermijdelijk aan mijn voeten kwam te liggen. We keken elkaar aan en lachten. Haar ogen straalden van deugnieterij, haar spel had gewerkt, ze had mijn aandacht en ik kreeg haar verhaal.
Ze zette zich naast mij en vertelde: ‘Hoi ik ben Alina en ik ben 6 jaar, allez, nog niet echt, ik ben 5 jaar, maar wel bijna 6. Ik moet zo ver zitten hé, want het is Corona en dan mogen we niet zo dicht hé.’ Ja Corona, ook voor haar is het anders geworden. ‘Ja’, zei ze, ‘ik mag niet naar school, maar ik kom hier spelen met de voetbal want thuis is er geen plaats en daar moet ik stil zijn en stil zitten.’ Ze rolde met haar ogen, als wilde ze het nog duidelijker maken dat stilzitten aan haar niet besteed is. ‘Ik wil voetballer worden als ik groot ben. En ik heb 2 broers en 2 zusjes en mijn lievelingskleur is blauw en dat van mijn kleine zus roze. En mijn broer houdt van auto’s, van rode auto’s en mijn andere broer van groene auto’s. Mijn andere kleine zus is thuis, ze slaapt. Ze is nog klein maar kan wel al een beetje stappen.’

Ze zweeg alsof haar verhaal ten einde was en vroeg wat mijn lievelingskleur was. Ik wist het eigenlijk niet, want het is wit voor bloemen en blauw-wit voor voetbal en zwart voor inkt en roze voor een bril en appelblauwzeegroen omdat ik dat een mooi woord vind, dus zei ik haar...ik weet het niet. Ze zei dat dat niet erg is want dat dat soms wel eens verandert, bij haar ook. We zwegen alle twee, ik dacht ja het is waar, het is niet erg en zij leek tevreden met haar uitleg.

Ons verhaal werd onderbroken. Haar vader riep haar, ze gingen wat verder zitten, in de schaduw van een boompje. Ze nam haar bal, gooide hem op en schopte hem in de richting van haar vader, haar broertjes en zusje. Haar zusje huilde. Alina sloeg haar arm om haar heen, nam haar op schoot en bracht haar aan het lachen. Klein verdriet gaat gelukkig soms snel voorbij.
Ik stelde me recht om mijn pelgrimstocht in eigen stad verder te zetten om nieuwe verhalen te sprokkelen. We zwaaiden naar elkaar alsof we oude bekenden waren. Ik keek nog eens om en zag haar met haar voetbal en met een brede glimlach,.... een klein meisje met grote dromen.

Tekst: Ann Deneir (
Atelier van het leven
)
Foto: Francis Vanhee

**

Bart Pollentier

23/6/2020
Ik las enkele weken terug een facebookpost van een hotelletje met een schitterende view op Firenze. Net als ieder jaar sloten ze aan bij de eeuwenoude traditie waar muzikanten eind april van huis tot huis trekken om via traditionele muziek een goede zomeroogst te bedingen. Het bericht deed me terugdenken aan mooie vakanties.

Ik leerde het hotelletje kennen op doorreis naar een muziekfestival. In een haast oneindige onweer zochten we onze weg. In een scherpe bocht naar links, was er rechts een oprit die naar beneden kronkelde en uitgaf op een op een bescheiden pension. Het was alsof de tijd er was blijven stilstaan. Geen zwembad, geen luxe. In de doorleefde salons stond het vol snuisterijen. Af en toe speelde iemand op de piano.

En buiten bleef het onweer maar doorgaan. Zalig.
Het was de aanloop naar een week gevuld met klassieke muziek, afgelegen dorpjes en vooral …eten. Ondanks het mooie weer, speelde de regen af en toe een hoofdrol. Tijdens een van de eerste concerten brak buiten een regenbui los. De cateraars die op het dorpsplein net lange tafels hadden gedekt, moesten in allerijl even opbreken. Het werd een ongedwongen avond. Geen gereserveerde tafels maar gewoon aanschuiven. Mingle in heet zoiets. Connecteren met onbekenden... Het leverde me mooie vriendschappen op, ook in deze community.

Trouwens, zo’n momenten waar iets “fout” loopt, blijven me altijd bij. Dikwijls zijn het perfecte ijsbrekers. Ik was ooit op een concert hier in Gent in de Bijloke. Ik vermoed ergens in september, een jaar of vijf geleden. Het was een concert met werk van Tarquino Merula. Ik had nog nooit van die componist gehoord. Ik herinner me dat ik – weg van alles - zat te luisteren. Tijdens het concert brak er plots noodweer uit. Een wolkbreuk. Net toen de stem van een sopraan weg galmde en het heel stil zou worden in de zaal, klonk een luid geraas. Ik herinner me dat haar blik verbaasd naar boven ging. Er verscheen een brede glimlach en het publiek schoot even in de lach. Klein en onbetekenend. En toch blijft het bij.

O ja, en ik las net dat dat hotelletje deze zomer weer open gaat…

Foto: Martin Corlazolli
Tekst: Bart Pollentier

Evenementenorganisator

Gilles De Backer

18/6/2020
Ik woon aan de rand van de stad, in één van de randgemeenten die (nog) niet bij Gent horen. Maar mijn werk en mijn sociaal leven spelen zich integraal in deze stad af. Gent is (meestal) niet de plaats waar ik ontwaak, het is wel de plaats waar mijn dromen tot leven komen.

Ik werk hier, als evenementenorganisator. En mijn vrienden wonen hier allemaal.
Op mijn 19de begon ik met mijn eerste evenement te organiseren. De bedoeling was om alle laatstejaars uit alle middelbare Gentse scholen samen te brengen voor een soort afscheidsevenement.

In de Culture Club was dat de eerste keer. Daarna volgden alle grote Gentse zalen. Op die manier hebben we heel wat jongeren in verbinding kunnen brengen. Op zo’n evenement ontstaat een gigantisch sociaal contact tussen duizenden bezoekers. Het leuke daaraan is dat je heel vaak een ontmoetingsplaats bent waar mensen mekaar voor het eerst leren kennen.
En daar komen ook vaak relaties uit voort, je krijgt nieuwe koppels die samen het leven aangaan. Ik vind het leuk dat je als organisator daar een hand in hebt gehad. Niet dat ik bewust cupido speel, maar had het evenement er niet geweest, dan hadden bepaalde mensen misschien hun toekomst niet samen gehad. Ik kom nog regelmatig mensen tegen waarvan ik weet dat ze mekaar leren kennen hebben op een evenement dat ik organiseerde. Onrechtstreeks ben ik dus koppelaar.

Het doel is uiteraard niet koppelen, maar ik hou ervan om andere mensen gelukkig te zien. Daar haal ik mijn geluk uit. Dat is iets speciaals. Ik kan er zo intens van genieten.
Daar haal ik ook mijn energie uit. Ik zou andere dingen kunnen doen die me meer geld en zekerheid zouden opgebracht hebben, maar het zou me nooit dezelfde voldoening gebracht hebben, waardoor ik die andere dingen waarschijnlijk ook niet zou volgehouden hebben.

Mijn vader heeft mij de weg getoond. Hij heeft ooit een café gehad. Ook een ideale ontmoetingsplaats. Het is frappant dat ik zowat dezelfde weg ben ingeslagen. Het zit duidelijk in de genen.

Foto: Martin Corlazolli
Tekst: Werner Lanneau

Sam De Graeve

15/6/2020
Ik ben geboren en getogen in Gent. Er worden in Gent veel mensen geboren, maar op school was ik zowat de enige jongen in de klas die ook in het centrum opgroeide. Het merendeel van die jongens -want het waren jongensscholen waar ik zat- leken me niet goed te begrijpen wat dat betekende, een stad.

Ze woonden in oorden die ik niet kende: De Pinte, Lovendegem, Latem en andere exotische plekken.

Hoewel ook ik natuurlijk snakte naar het grootstedelijke van Berlijn of New York proefde ik al erg jong -ik was dertien- van de heerlijke sfeer in discotheken als The Fash en de Fifty-Five, en de wonderlijke wereld van de Hotsy Totsy, waar je bij binnenkomst al eens gekust werd door een travestiet.

Het was de tijd van de new wave, we gingen uit de bol door vertraagd intens te bewegen op een tegel op muziek van The Cure en aanverwanten.
Dat in elke microcosmos de wereld huist, dat toonde Gent altijd al voor me. Alle rangen en standen zag en zie je er. Ik dacht de stad als geen ander te kennen. ‘Straatloper’, dat was het compliment dat ik thuis al eens hoorde. Dan zei ik aan mijn ouders naar de bibliotheek te gaan, en dan verdween ik voor een uur of vier. Dan wandelde ik door de straten, of zat ik uren op de Korenmarkt.

Maar, middenklassejongen die ik ben, ik leerde de stad pas écht kennen door als vakantiejob taxichauffeur te worden. Eerst een examen doen bij de politie, waar je, authentiek, een ‘zakboekje voor de taxichauffeur’ kreeg als je wist welke straat waar lag. Dat was lang voor het verkeersplan.

Ik leerde de stad op alle momenten van de dag kennen, en vooral: ik leerde andere soorten mensen kennen. Mijn allereerste rit was om vier uur ’s ochtends. Ik was negentien of twintig jaar, had veel haar, maar nog meer groen achter de oren. Flink opgestaan om drie uur, en een kommetje granen gegeten. Met een te groot kostuumvestje stapte ik binnen in Café Stendhal, een plek waar je op dat vroege uur terechtkon voor een biefstuk friet. Ik probeer wars van vooroordelen door het leven te gaan, maar had niet onterecht gededuceerd dat mijn klante een prostituee was.

Ze zette zich naast me, riep waar ze heen wilde, en babbelde honderduit. Ik vergeet haar smakelijke lach nooit. Zeker niet toen ze me voorstelde om in natura te betalen en ik, normaal nogal ad rem, laf stotterde dat ik een vaste partner had. Ze complimenteerde me, zei dat dat belangrijk was, en dat ik vooral heel veel de liefde moest bedrijven.
Vandaag word je gefilmd als je je in de rosse buurt begeeft. Ik kom er eigenlijk zelden, maar ongetwijfeld kan je op beeld zien hoe ik af en toe passeer en dan altijd breed moet glimlachen bij de herinnering.

Ik houd innig van deze stad en zijn bewoners.

Foto: Martin Corlazzoli
Tekst: Werner Lanneau /Sam De Graeve

Jean

11/6/2020
Het is fascinerend hoe een mens in een bepaald beroep verzeild geraakt. Meestal door stommiteiten. Bij mij zeker. Ik ben al jaren voorzitter van de rommelmarkt op St-Jacobs. Ex-leraar aan de Academie. En kunstenaar.

Mijn eerste kunstwerkjes dateren van mijn kindertijd: We zaten elke weekend aan zee, op het strand van Knokke. Mijn zuster verkocht van die papieren bloemen, en ik maakte putten tot ik erin verdween. En op een dag kom ik op een laag die bijna zwart was van kleur. Een vieze specie, rook naar niets. Het was klei. En daar maakte ik beeldjes van: een olifant, een giraf,… Maar dat was spelen.

Ik ben altijd een speelvogel geweest. Technieken zijn er om mee te spelen. Ik ben specialist in linogravures. Als ik een lino gemaakt heb, geraakt het nooit ingekaderd. Ik heb direct goesting om aan een ander te beginnen. En dat geldt ook voor mijn andere kunstwerken: schilderijen, etsen, beelden, wandtapijten…
Ik was een zeer slechte leerling. Ze stuurden me naar het internaat in Keerbergen. Leuke tijd, maar na 2 jaar was ik volledig gebuisd. Nu, in dat tweede jaar schrijven ze een tekenwedstrijd uit op school. Over de expo 58 in Brussel. Die moest nog komen. Er zou daar een atomium komen, een bol-affaire. We wisten niet hoe het eruit ging zien. Het moest een tekening zijn van amper 15cm breed, ongeveer postkaartformaat. ’s Avonds zat ik onder mijn bureaulamp dat te tekenen.

Het toppunt wil dat ik bij de 12 laureaten ben. Ik heb nog een foto met Paula Semer aan het Flageygebouw met onze prijzen. Vanaf dat moment was er met mij geen huis te houden. Ik ben in één ruk van een dommerik naar een artiest gegaan. Daarvoor was ik niks waard. Ze hadden me ontdekt. En ik ontdekte ook mezelf.

Je moet weten, mijn vader wist niet wat hij moest doen met mij. Hij ging me zelfs bij het leger steken. En van mijn moeder moest ik een vak leren. Ze stopten mij in de beroepsschool in Gent op de Martelaarslaan. In het oriëntatiejaar was ik eerste van de klas voor alle praktijkvakken. En de allerlaatste voor alle theoretische vakken. Ik deed geen klop. En zo was ik alweer gebuisd.
Mijn moeder trok in alle staten naar de directeur. Zijn advies was om mij naar de Academie te sturen. Eerst mocht ik niet, want dat waren volgens haar allemaal hoerenlopers. Toch staat ze me toe om na schooltijd naar de academie te gaan.

En dan gebeurt iets heel raars. Mijn eerste rapport: 96 procent! Ik kom thuis, fier als een gieter, en mijn moeder zegt tegen vader: viens voir, ils se sont trompés. Ça doit être 69… Verschrikkelijk, ze geloofden het niet. Ik kon mijn mama vermoorden.

Mijn ouders hebben me vrij laat ontdekt. Ik had een vernissage tijdens de autoloze zondagen in het Groot Begijnhof. Ik verkocht daar bijna al mijn werken. Toen heeft mijn vader voor het eerst zijn bril afgedaan om naar mijn etsen te kijken. Echt te kijken. Hij ontdekte mij toen voor het eerst.

Foto: Martin Corlazzoli
Tekst: Werner Lanneau

Ben Van Alboom

08/6/2020
“Voelt het niet vreemd om van New York terug te keren naar … Gent?!” Dat was veruit de meest gestelde vraag, toen ik enkele jaren geleden weer naar hier verhuisde. En het is niet alsof ik die vraag niet snap. Maar ze gaat er precies nogal makkelijk vanuit dat ik in New York elke ochtend naar een spectaculaire pre-work party trok – voorafgegaan door een uur yoga in Central Park en gevolgd door vegan sushi in Williamsburg – en dat ik elke avond op Broadway rondliep of een paar honderd dollar veil had om naar een basketbalwedstrijd te gaan kijken.

De waarheid is dat ik daar nooit een musical heb gezien, het meer dan een jaar heeft geduurd om tot aan het 9/11 Memorial te geraken en ik, zoals elke New Yorker, in een boog om Times Square heenliep omdat daar te veel toeristen rondhingen die mij zouden vertragen. Als ik erop terugkijk, leefde ik daar op een handvol lappen grond die samen niet groter waren dan Gent.

Zoals de meeste New Yorkers. Alleen moest ik altijd minstens een halfuur op de metro zitten om van de ene lap naar de andere te geraken. Waarmee ik níets slechts wil zeggen over New York – het blijft de meest inspirerende plek op aarde. Maar ik heb er geleerd dat Gent misschien wel de perfecte stad op mensenmaat is.

Ik heb hier evenveel ‘favoriete restaurants’ als in New York, maar ze liggen nu allemaal op hooguit een kwartier fietsen van bij mij thuis, en een goed glas wijn kost er geen 17 dollar. En als het op cafés en clubs aankomt, heeft Gent al zeker geen lessen te leren van New York – the city that never sleeps is al op slot, als ze in Kompass en Charlatan nog toestromen.

En zonder daar nu veel van te kennen, weet ik ook honderd procent zeker dat AA Gent een betere voetbalclub is dan de New York Red Bulls. Dus nee, het heeft nooit vreemd gevoeld om terug te keren naar Gent. Het is geen grootstad – dat is waar – maar het is ook verre van een slaapstad.

Alles wat ik nodig heb om goed te leven, is hier. We moeten erop – dat is ook waar – toezien dat dat zo blijft. Maar dat moet doenbaar zijn. En als ik even iets groters nodig heb: vanuit Gent sta ik sneller in Brussel of zelfs Parijs dan van Brooklyn in The Bronx.”

Foto: Martin Enzo Corlazzoli Aguilar
Tekst: Werner Lanneau

Eveline Coppin

04/6/2020
Dag honnie.

Ik zwaai kort en slenter de oprit af. Eindelijk liggen ze in bed. Eindelijk wat tijd voor mijzelf. Al zou een paar uur met mijn partner allèèn heel welkom zijn, maar er moet toch iemand op die drie snurkertjes letten en dan is in c-tijden mijn echtgenoot de enige, maar gelukkig ook ideale optie.

Toppapa!

Mijn oog valt op de kastanjeboom van de schuinschuinoverburen. Ik sta erbij en kijk ernaar. Ik was vergeten hoe mooi die was als hij in bloei stond!

Ik sla rechts het steegje in. De wilde aardbeienplantjes geven nog geen vruchten. De normaal drukke invalsweg naar het centrum is leeg. Was mijn hoofd ook maar zo … Ik ga naar links. De Japanse kerselaars geven van katoen in de De Pintelaan. Het Universitair Ziekenhuis komt in beeld.

Ik wandel er traag naartoe en maak cirkels met mijn armen om mijn stramme schouders los te wrikken. Het ziekenhuiscomplex beschouw ik als mijn achtertuin.

 Ik ga er met de twee oudsten in het weekend soms op een van de bijna-verlaten parkings rolschaatsen, ’s avonds de jongste vermoeien op zijn groen-geel-roodkleurig Lena-fietsje of wandel er zaterdagochtend met de drie sloebers konijntjesspottend dwars doorheen – vaak al kauwend op een nog warme pistolet die we net bij de bakker kochten. 

Mijn gedachten blijven steken bij de zieken. Aan al de patiënten die er liggen – besmet door het coronavirus of niet – en die misschien nooit meer bij bewustzijn zullen komen. Mensen van wie de essentie niet meer kon worden opgeschreven en dus doorgegeven. Mensen die alleen moeten sterven en nabestaanden die geen afscheid konden nemen en alleen moeten rouwen. Dat is hard. On-mens-elijk hard. Meteen denk ik aan Annabel. Niet dat zij hier lag en geen afscheid meer heeft kunnen nemen van haar geliefden.

Nee, daar heeft ze bewust wél voor gekozen. Net voor de lockdown ging ik bij haar thuis op gesprek. Mijn eerste eindelevensgesprek. Bij een 39-jarige vrouw met uitgezaaide borstkanker. Ik kantel mijn hoofd naar achter, kijk naar boven en plaats mijn beide handen op mijn hart. “Dag Annabel”, zeg ik zacht en ik krul mijn mondhoeken naar omhoog. Ik weet dat ze content zou geweest zijn over het boek dat ik over haar heb geschreven. Haar tweelingszus was dat alleszins. Annabel had de kracht niet meer om het na te lezen en was al gestorven toen de gedrukte versie arriveerde, maar ik ben er zeker van dat het voor haar zoontje van zes van onschatbare waarde zal zijn. Er staat zwart op wit dat zijn mama van hem houdt en wat ze hem toewenst. Hij leest in haar geestelijk testament ook wat haar valkuilen waren en wat ze geleerd heeft in het leven.

Al peinzend sta ik opnieuw aan de ingang van het UZ. Een andere ditmaal. Hoeveel zijn er hier eigenlijk? Ik steek de straat over en wandel nog naar het vlakbije De Smet-De Naeyerpark. De bomen begroeten me. Van barmhartige treurwilgen over bomen waarvan mijn kinderen vinden dat de notenschelpen op varkenssnuiten lijken tot majestueuze beukenbomen Ik voel me vooral klein, maar dat is niet erg. Ik voel me veilig. En geaard. Na een paar toertjes in het lentefrisse groen wandel ik traag naar huis. Dag bomen. Dag lege straten. Dag wilde aardbeienplaatjes zonder aardbeien. Dag kastanjeboom. Dag vol hoofd. Dag dag.

Tekst: Eveline Coppin /Bart Vandesompele
Foto: Francis Vanhee

Stef

02/6/2020
Ik heb bijzonder veel mooie herinneringen aan mijn kindertijd. Vooral aan de tijd samen met mijn grootvader, Elie. Hij is het type grootvader dat je elk kind zou toewensen. Uren, en menig broeken, hebben we samen versleten. Hij hield er immers van om op handen en knieën samen met mij en mijn broer rond de keukentafel te kruipen.

Dollend en gierend van het lachen totdat de kamer en onze hoofden tolden. Naast zijn job als manager bij de toenmalige RTT, was hij stadsgids in Gent. Hij hield ervan de Gentse geschiedenis doorspekt met boeiende anekdotes te delen met toeristen die zijn geliefde stad voor het eerst ontdekten.

Als kind mocht ik vaak mee op zijn µ rondleidingen. Mijn favoriete plaats was het Gravensteen. Steeds was ik vol verwondering van zijn verhalen over deze mysterieuze burcht en haar koele ridders.

Mijn grootvader is een belezen man en de uitpuilende boekenkast in zijn huis is daar een stille getuige van. Hij is gepassioneerd door geschiedenisboeken, van de Middeleeuwen tot vandaag. Een geslaagde avond betekent voor hem een avond waarop hij een nieuw geschiedenisweetje ontdekt heeft, met een symfonie van Bach op de achtergrond. Inderdaad, het luisteren naar klassieke muziek is zijn tweede passie.

Enkele jaren terug werd mijn grootvader blind. De sterke, moedige en onafhankelijke man heeft daardoor een groot deel van zijn vrijheid moeten opgeven. “Ik mis het licht” vertrouwt hij me vaak toe. Het breekt mijn hart dat hij moet leven in de duisternis maar we geven niet op. We luisteren nu samen naar luisterboeken. We vragen elkaar “waarover willen we graag bijleren?” en dan kies ik een geschikt luisterboek uit dat we samen ontdekken. Omdat hij ook graag een boek wil voelen en ruiken, lees ik hem vaak voor. Het liefst in zijn tuin, met het zachte geluid van fluitende vogels op de achtergrond. Ons huidig boek, Homo Sapiens, ligt er door de crisis al een aantal weken onaangeroerd bij. Ik kan niet wachten totdat ons wekelijks lichtpuntje opnieuw kan doorgaan.

Foto: Martin Corlazzoli
Tekst: Charlotte Colman

Tony Martens

29/5/2020
Rond mijn twintigste liep ik stage in een Gents ziekenhuis. Tijdens die stage ging de gezondheid van één van de patiënten, Maurice een 82-jarige kranige man, plots snel achteruit. Maurice lag alleen in zijn kleine kamertje uitkijkend op de Gentse straten, zonder familie in de buurt om hem bij te staan. In samenspraak met mijn stagebegeleider heb ik daarom beslist Maurice bij te staan.

Ik nam plaats, op een stoeltje naast zijn bed en we begonnen te praten. De avond viel over Gent, de stadsgeluiden verzachtten en de laatste straal avondlicht vulde de kamer. De onwennigheid bij de start sloeg snel om naar een openhartig en persoonlijk gesprek tussen ons.

Ik vroeg hem naar de verwezenlijkingen in zijn leven en hij vertelde kort over het drukke professionele leven dat hij had. Nadien vertelde hij over de dingen waarvan hij spijt had, spijt dat hij ze niet heeft kunnen verwezenlijken.

Uren vertelde Maurice over de dingen die hij nog had willen doen. Over de dromen die hij had maar niet heeft nagestreefd. Over de reizen die hij nog had willen maken en de plaatsen die hij had willen bezoeken. Het was triest, maar tegelijk ook helend. De stilte vulde de ruimte en Maurice overleed nog diezelfde avond.

Na die avond heb ik mezelf beloofd dat ik uren wil kunnen vertellen over de verwezenlijkingen in mijn leven, maar vooral ook over de rol die ik heb kunnen spelen in het leven van anderen. Ik heb ervoor gekozen positief en optimistisch in het leven te staan. Om mensen rondom mij maximaal te helpen, te steunen en te verbinden. Op de vraag waarvan ik spijt heb in mijn leven wil ik kort kunnen antwoorden: “Niets. Ik heb alles gedaan en verkregen wat er in dit leven zit. Het is een mooi gevuld leven geweest. Dank je wel om het met mij te willen delen”.

Foto: Martin Corlazzoli
Tekst: Charlotte Colman

Professor UZ Gent

Guy T'Sjoen

27/5/2020
Ken je de film “La ley del deseo” van Pedro Almodóvar?

Ik zag de film voor het eerst als 17- jarige in de Gentse Sphinx. Dat was in 1987. Drie personages staan centraal, één ervan, Tina, is een transgender vrouw. Het mooie aan de film is dat de regisseur niet de focus legt op het transgender thema. Het doet er nauwelijks toe. Tina is gewoon een van de personages; ze komt aan bod met haar unieke variatie op het thema van “mens zijn”.
Het was pas tijdens mijn medische opleiding, binnen de specialisatie endocrinologie, dat ik voor het eerst een transgender persoon ontmoette op de consultatie.

Ik herinner me helaas haar naam niet meer. Een enorm moedige dame, fier en mondig. Iemand die hard had moeten knokken en alles op het spel heeft gezet om te kunnen zijn wie ze werkelijk is. Een vrouw die haar transitie doorgemaakt had in de begin jaren ‘80. Een tijd waarin het allesbehalve evident was om bijvoorbeeld een chirurg te vinden voor geslachtsaanpassende chirurgie. En al zeker niet om ook juridisch alles te regelen wat met een geslachtsverandering gepaard gaat.
Vandaag, vier decennia later, is er nog altijd werk aan de winkel. Zeker in landen als Polen, Hongarije of Griekenland, maar ook in België. Zo zijn er grote verschillen in transgenderzorg tussen Vlaanderen en Wallonië. In Wallonië kijkt men naar Frankrijk, en daar heerst nog te vaak de psychotherapie als zorg voor transgender personen: “praat lang met iemand en die persoon zal niet langer transgender zijn”. Wat dus onzin is. In Vlaanderen zijn de wachtlijsten een flinke uitdaging, want ons team – zelfs al is het gekend in binnen-en buitenland- blijft te klein voor het aantal nieuwe aanmeldingen.

Die steen in de rivier wil ik verleggen. Het is mijn ambitie ervoor te zorgen dat alle transgender personen in Europa optimale zorg krijgen. Vijf jaar geleden heb ik samen met enkele collega’s-vrienden een zaadje geplant. We wilden het eerste Europese congres organiseren om alle Europese zorgverleners die werken rond dit thema samen te brengen in Gent. Een cruciale stap om kennis en goede praktijken met elkaar te delen. Er was geen budget maar dat hield ons niet tegen. We hebben alle mogelijke vrienden opgetrommeld om het congres georganiseerd te krijgen: ze hebben gezorgd voor catering, belichting, bloemen en op de congresdagen zelf verzorgden ze het onthaal. Het congres was vooraf al uitverkocht, wat de nood onderstreepte, en het was een wetenschappelijk succes. Een nieuwe Europese wetenschappelijke organisatie was geboren.

De formule wordt twee-jaarlijks herhaald in een andere Europese stad: in 2021 trekken we wellicht naar Göteborg en zo willen we uiteindelijk tot in elke uithoek van Europa raken. Dit zaadje kon perfect kiemen in de Gentse rock ’n roll voedingsbodem; niet teveel hiërarchie, de juiste mensen verzamelen en er gewoon voor gaan. Ik kan alleen maar hopen dat het project (EPATH) verder blijft bloeien en dat we binnen Europa een stevige stempel kunnen drukken op wetenschappelijk onderbouwde en adequate zorg voor transgender personen. De zorg die ze simpelweg verdienen!

Foto: Martin Corlazzoli
Tekst: Charlotte Colman /Guy T'Sjoen

Shalan

25/5/2020
Oog in oog met onze ambassadeur van bij de sterren. Daar wil ik het vandaag over hebben.

Ik woon nu in Gent en werk bij De Centrale, maar in 2010 werd ik uitgenodigd om in het orkest van Fairouz te spelen.

Fairouz is dé diva van de Arabische wereld, het wordt sinds de jaren 70 een traditie in heel veel Arabische landen om de radio ochtenduitzending te beginnen met de nummers van deze Libanese legende. Samen met de Rahbani broers (één ervan was haar man), hebben ze een nieuwe klank ontwikkeld en voorgesteld in de Arabische muziek, geïnspireerd op natuur, liefde en melancholie. Ze hebben liedjes gemaakt die artistiek van een hoge waarde, maar ook toegankelijk waren voor iedereen, Fairouz werd genoemd: onze ambassadeur bij de sterren.
Ik was heel enthousiast, en mijn familie en vrienden ook. Fairouz was hét idool van de meeste Arabieren, maar ze kwam niet zo graag buiten haar spotlights op het podium. Niemand hoorde bijvoorbeeld dat een fan er in slaagde om een foto met haar of een handtekening van haar te hebben, of woordjes met haar te kunnen wisselen of zelfs backstage bij haar te kunnen geraken. Zo bleef Fairouz lang een ietwat mysterieuze figuur, versterkt door het feit dat ze zo weinig in de media kwam buiten haar optredens. Mensen behielden toch veel respect voor haar.
En nu mocht ik met haar optreden, en zelfs dagelijks mee repeteren! Geen wonder dat iedereen jaloers op mij was !

De repetities vonden plaats in Beirut, de stad van Fairouz. Onze groep muzikanten vertrok vanuit Damascus. Beirut ligt op ca. 120 km afstand van Damascus, en de rechtstreekse tocht met de auto duurt in theorie max. 2 uur, maar in feite men rekende ruim 4 uur vanwege strenge controle aan de grenzen. Maar alles verliep vlot want de controleagenten aan beide Syrische en Libanese kanten wisten dat we met Fairouz kwamen spelen.

We moesten rechtstreeks naar de repetitie, die was in een repetitiezaal ergens in Beirut. De eerste paar uren werden besteed om vertrouwd te raken met de muziekstukjes en de partituren.
Plotseling kwam Fairouz binnen. Zo’n kleine vrouw, met zonnebril aan. Ze zei simpel “hallo”, en zat vooraan. Ze gaf aan welk nummer ze wou repeteren, en samen met de dirigent, en we waren vertrokken.

Wat daarna gebeurde, blijft voor altijd hangen in mijn auditieve en emotionele geheugen. Ik herinner me dat ik tranen had in mijn ogen, waardoor ik de partituren gedurende paar nummers niet goed kon lezen. We waren met 40 muzikanten denk ik, en we repeteerden zonder versterking, maar toch lukte het om haar stem perfect te kunnen projecteren en door iedereen te laten horen. Haar stem was als een wolk die rond en door iedereen straalde. Arabische zang is verschillend van de operazang, en door een cruciaal verschil in de technieken, kan Arabische zang minder geprojecteerd worden, en dat vraagt aanpassing bij de bezetting, want het is bedoeld om met kleine ensembles gezongen te worden, niet met orkesten zoals klassieke of opera zang. Maar die regels zijn blijkbaar niet van toepassing bij Fairouz!

Het was in veel opzichten een levensgebeurtenis, ik mocht met een levende legende werken, heel dicht zelfs, en haar zang akoestiek horen, het is trouwens ontzettend veel mooier dan opnames, en dan heb ik me gerealiseerd hoe toewijding en streven naar perfectie eruit kunnen zien.
Het was quasi militair, we moesten onze gsm’s buiten afgeven, en we mochten niet met haar spreken, anders werden we op de vingers getikt door haar dochter/bodyguard Rima! Maar toch denk ik dat de bescheiden en warme menselijke kant van Fairouz straalde!
Ik denk er nog vaak aan als ik nu aan het werk ben in De Centrale in Gent. Om nooit te vergeten!

Foto: Martin Corlazzoli
Tekst: Bart Vandesompele /Shalan